Deel 1:  Kapucijnen in Ieper 17de en 18de eeuw 

    1. Predikatie
    2. De pestbestrijding

Iedereen gelooft aan evolutie, alles evolueert: het klimaat, de techniek, de ethische waarden, en ga zo maar door. Ook Kerk en godsdienst ontsnappen er niet aan en dus is er zeker ook een evolutie bij b.v. de paters Kapucijnen. De Kapucijnen, met of zonder pij, welke vorm of kleur ze ook aannemen, blijven Kapucijnen en ieder weet waarover het gaat als er over hen geschreven wordt.
Vóór de komst van de Kapucijnen in Vlaanderen en dus ook in Ieper, zijn ze er toch niet totaal onbekend. Vlamingen horen het Kapucijnenklokje kleppen ergens in Frankrijk. Onder de Vlamingen is een observantbroeder, Christofoor van Ieper (+ 1580) die Ieper verlaat en over de grens trekt richting Frankrijk om er Kapucijn te worden. Daar ontmoet hij nog andere Vlaamse medebroeders. Samen dromen zij en overleggen hoe ze naar hun geboorteland terug kunnen keren om daar een stichting te beginnen.
 

DE SPANJAARD ALEXANDER FARNESE  (1578 – 1592)
 

De Spaanse koning Filips II (zoon van Keizer Karel V) kreeg o.m. bij erfenis de Nederlanden bij zijn rijk gevoegd. Hij opende een verwoede strijd tegen alle niet-katholieken. Het is de tijd van het opkomende protestantisme en de daarmee gepaard gaande godsdienstoorlogen. (16de-17de eeuw). De ene landvoogd na de andere regeert over de Nederlanden om er alhier de protestanten te bestrijden en de opstandige Nederlanden in bedwang te houden. Zo werd ook Alexander Farnese naar hier gezonden om die zogenaamde ketters te bestrijden. Hij begint zijn strijdtocht in 1583. Hij verovert Diest, Duinkerke, Nieuwpoort, Diksmuide en in 1584 komt Ieper onder het geschut.

In de strijd wordt Farnese gesteund door de Katholieke bevolking omdat hij onder de vlag van geloofsverdediger opkomt tegen de ketters. De geuzen hebben reeds veel kloosters vernield, zij verjagen de geestelijken of slachten ze af als wilde dieren. Alleen hij die de toestand meemaakt kan er over spreken. Alexander Farnese gaat listig te werk en hij steunt de paters en de priesters en al wat geestelijk en katholiek gekleurd is. De kerk gebruikt hij als een ruggesteun voor zijn politiek.
 

DE GROTE KANS
 

Die kans is gekomen op 8 september 1585. In Parijs roepen de Kapucijnen een gezamenlijk overleg of kapittel samen. Nu of nooit! Zij nemen het besluit: er komt een nieuwe stichting in Vlaanderen. De Vlaamse Kapucijnen danken God omdat hun wens wordt vervuld.

Ene zekere pater Felix is soldaat geweest aan de zijde van Farnese en is goed met diens familie bekend. De ouders van Farnese hebben veel gedaan voor de Kapucijnen en een familielid aan moeders kant is pater Kapucijn.

Diplomatisch gezien is pater Felix dus de uitverkoren persoon. Samen met nog twee Vlamingen: Joan van Landen en Antoon van Gent (Antoon een geboren Gentenaar, is met zijn familie naar Ieper gaan wonen) worden aangeduid als aansnijders en ontginners, met op zak een aanbevelingsbrief vanwege het kapittel aan Farnese. Die brief vermeldt niet de bedoeling van een stichting, maar looft de predikanten als handig om te hameren op de ketters. Je kunt het een diplomatische zet noemen om verder te kunnen doordringen.

De drie paters werden door Farnese vriendelijk onthaald en hij geeft hen vrijgeleide, opdat de paters overal goed onthaald en beschermd zouden worden en zo mogelijk ze onderdak te verlenen.
Het is heel mooi op papier, de werkelijkheid is anders: na lang ronddolen vinden zij onderdak bij andere kloosterlingen, waar ze niet komen om te rusten, ze zijn behulpzaam en actief.

 BOETEPREKEN

 Boetepreken zijn het geliefkoosde onderwerp van de predikatie. Boeteprocessies worden georganiseerd en groeien uit tot massamanifestaties. Het gelovige volk aanziet de predikanten als Godsgezanten en moderne profeten. De tegenpartij beschouwt ze als onruststokers en revolutionairen.
De lastercampagne begint: kwaadwillige beschuldigingen worden verspreid. Aantijgingen worden geschreven naar hogere instanties. Het effect blijft niet uit: er wordt onderhandeld om de paters het land uit te zetten. En inderdaad, de bom valt, de paters werden naar Parijs teruggeroepen.
De Kapucijnen blijven trouw aan hun gelofte van gehoorzaamheid. Ze hebben geen eigendom en zijn onmiddellijk klaar om te vertrekken.
In hun regel staat geschreven: “Indien de broeders ergens niet worden aangenomen, vluchten zij naar een ander oord om penitentie te doen.”
Op hun terugtocht brengen zij nog een afscheidsgroet aan Farnese. Een bevelhebber heeft echter ook een geheimdienst en Farnese is op de hoogte van het spel en hij doorziet het. Niets mag er gebeuren zonder zijn toelating. Hij weerhoudt de paters en vraagt hun vertrek uit te stellen en te wachten op een definitief antwoord.
De diplomatie draait op volle toeren. Farnese contacteert de Paus en de kardinalen. De Paus consulteert het kapittel en vanwege het kapittel komt het uitdrukkelijke bevel: De paters zijn verplicht in Antwerpen te blijven.
 

ZE GROEIEN

Kapucijnen… “Kapucijntjes” zijn gekende bloemen, eigenlijk een soort woekerplant, overal kunnen ze groeien en aan alles ranken ze zich vast. Eens gezaaid blijven ze zich voortzetten en voortwoekeren. Het is een mysterieuze kracht van de Kapucijnen, niet enkel nieuwelingen of novicen, ook geestelijken van “alle kleuren” sluiten zich bij hen aan.
1590 – 1592. Twee observanten, een reguliere kanunnik uit Leuven en één uit Roodklooster sluiten zich bij de Kapucijnen aan, maar dan ook nog een Benedictijn uit Sint-Jan bij Ieper, een Kruisheer en een Praemonstratenzer monnik. Meer hulp en medebroeders komen uit Frankrijk, waar menig Vlaamse Kapucijnen aangetrokken wordt door de geur van eigen bodem.
De aangroei wordt steeds groter. Naast Dendermonde, Mechelen, en Ariën komen er van 1591 – 1592 nog zes stichtingen bij: te Leuven, Douai, Brugge, Arras, Doornik en Rijsel.
Te Rijsel, een nijverheidsstad toen nog in Vlaanderen, niet ver van de Deule, langs een straat die spoedig de naam draagt “rue des Capucins” en tot de St.-Mauriceparochie behoort, wordt een gunstig terrein gevonden voor het bouwen van een klooster. Op 19 maart 1593 wordt de grond aangekocht. Men blijft niet bij de pakken neerzitten want op de 22ste van dezelfde maand komt Mgr. Pieter Simons, bisschop van Ieper, om de eerste steen van het klooster te leggen.
In Menen vraagt het volk zelf om de Kapucijnen. In 1603 staat er reeds een klooster en op 15 november 1608 wordt de eigen Kapucijnenkerk ingewijd door Mgr. Karel Maes, bisschop van Ieper, bij delegatie van de ordinarius van Doornik. Armentiers wordt gesticht in 1604.
In 1602 komen de eerste Kapucijnen in Veurne wonen en nemen voorlopig hun intrek in een huis van de Zwartzusters. Januari 1604: juffrouw Jorine Masin geeft het gewezen Tempelhof cadeau aan de Kapucijnen en het stadsbestuur betaalt het gebouw. Het klooster is reeds afgewerkt in 1606 en de kerk in 1607. Op 4 mei komt Mgr. Karel Maes, bisschop van Ieper, de kerk inwijden.

IEPER 

Na vele verwikkelingen zal er toch een Kapucijnenklooster in Ieper gebouwd worden.
Gezien de omliggende steden: Armentiers, Menen en Veurne binnen hun muren reeds de Kapucijnen hebben opgenomen, ontkiemt de drang om vooral in de bisschopsstad Ieper, een stichting te beginnen. Een plan wordt ontworpen.
De stadsmagistraat, in overleg met kanunnik Jan de Visschere, pastoor van Sint-Maarten, alsmede de heer en meester Aegidius Navegheer zijn het plan gunstig gezind. Navegheer zal later de eerste syndicus van het klooster worden.

(Syndicus is een vertrouwenspersoon. Aangezien de Kapucijnen geen eigendom mogen bezitten, wordt door het kerkelijke gezag van Rome een leek (syndicus) aangesteld om de goederen te beheren).

Mgr. Simons heeft op 14 september de eerste steen gelegd van de stichting te Veurne. Hij sterft in hetzelfde jaar op 5 oktober 1605.
Er wordt verteld dat de bisschop in zijn testament 2000 gulden geschonken heeft voor de Kapucijnenstichting te Ieper. Dit verhaal wordt betwist. Een meer waarschijnlijke uitleg is dat hij die som naliet voor goede werken, maar de uitvoerders van het testament hebben de stichting Ieper als een goed werk aanzien.
Het oktoberplan moest reeds rijp zijn, daar wij vernemen dat de nieuwe bisschop, Mgr. Maes, al op 8 april 1608 aan de magistraat voorstelt om de paters op te nemen. Dezelfde dag wordt de toestemming gegeven met een clausule of ambtelijke verbinding dat de onkosten niet op de stad terecht komen, en ten tweede dat geen oude huizen mogen afgebroken worden.
De Kapucijnen kiezen een terrein uit. De keuze wordt door de magistraat niet aanvaard, en de weigering is gemotiveerd: te dicht bij de paters Recollekten en de huisafbraak zou hier zeker ter sprake komen.
Ook de Recollekten komen in verzet, want volgens de bepaling van Rome, moet bij een nieuwe stichting het advies van de andere kloosters gevraagd worden. Het bezwaar: er zijn reeds zoveel geestelijken in Ieper.

Wij lezen in de annalen van 1689 te Ieper:

            13.247 inwoners, waaronder: 499 kloosterlingen: 251 mannen en 248 vrouwen

            en nog 93 wereldlijke geestelijken.

Gezien de bisschop en het stadsbestuur de Kapucijnen aanvaard hebben, zal niemand de stichting kunnen tegenhouden. Er is geen kwestie van ja of neen, maar van “waar” .


OP ZOEK

 
In de stad staat er nog het oude Sint-Katharinahuis, een huis van gasthuiszusters van de H. Augustinus. De zusters staan niet langer meer in dienst van de bevolking, daarom wil de bisschop ze hervormen. Een reden te meer, daar er geen tucht en eendracht meer is. De poging mislukt en daarop verbiedt de bisschop hen nog nieuwe novicen aan te nemen.
De bisschop zoekt een oplossing voor de Kapucijnen en doet een voorstel aan de zusters. Het huis is wel veel te groot en te duur om te onderhouden en hij vraagt hun het huis af te staan aan de Kapucijnen. De zusters zullen in ruil een mooi burgerhuis krijgen voldoende ruim voor zes personen met nog een grote tuin eraan verbonden. Het antwoord van de zusters is echter een hardnekkig “neen”.
De bisschop trekt de harde handschoen aan. Hij heeft reeds de steun ingewonnen van de aartshertogen Albrecht en Isabella.
Op 3 januari 1609 belegt de bisschop een vergadering met de hoogbaljuw, voogd, schepenen en raadsleden. Na overleg wordt het plan uitstekend genoemd.
Op de vraag “Wat zal er met de zusters gebeuren?” volgt het volgende antwoord: “Die sal men int vriendelicke ofte by rechte het klooster laten ontruimen.”

HARD VERLOOP

Op 16 januari 1609 komt er een schrijven van aartshertog Albrecht met de goedkeuring van een plan ten gunste van de Kapucijnen.
Het stadsbestuur dat van rechtswege toezicht heeft, vindt het niet nodig de zaak helemaal rechterlijk te beslissen en hoopt ze in de minne te regelen.
Bisdom en stadsbestuur vissen naar een toestemming van de zusters. Lukt het niet, dan zullen de zusters hun bezwaren acteren en de tekst naar Brussel sturen. Het is bekend dat de aartshertog zelf verlangt dat de Kapucijnen in Ieper komen.
Uit het volgende mag men besluiten dat de zusters niet gedwee zijn om met de bisschop te onderhandelen.
Op 28 februari 1609 laat Mgr. Maes op de deur van de kathedraal en aan het klooster van de zusters een decreet ophangen, waarin het plan ruchtbaar wordt gemaakt samen met een getekende goedkeuring van de regering. Het decreet eindigt met de woorden: Wie bezwaren heeft wende zich tot de bisschop. Ieder bezwaar wordt inderdaad schriftelijk naar Brussel doorgestuurd. Zoiets veronderstelt een correspondentie tussen de bisschop en het aartsbisschoppelijke paleis (op de Koudenberg) te Brussel.
Op 2 oktober laat de bisschop de Kapucijnen naar Ieper komen. Voorlopig nemen zij hun intrek bij Ridder Jan de Cerf, heer van Vlamertinge en voogd van de stad.
De Kapucijnen, strevers van de vrede en dus alle dispuut met de zusters wensten te vermijden, zoeken naar een andere vestigingsplaats. Hun keuze valt op een huis dat de hoek van de Sint-Jacobsstraat en de Rozenstraat uitmaakt. Dit huis was vóór 1566 de “refuge van de abdij van Waasten”. Na die datum komt het door verwisseling in het bezit van kanunnik penitencier Gerardy. Dit eigendom is aan de Kapucijnen overgemaakt en in 1608 brengen zijzelf het gebouw in orde om er hun intrek te nemen. Dit wordt echter belet door Mgr. Maes die het voor de zusters voorbestemt.
Het stadsbestuur besluit op 5 oktober 1609 tot medewerking om het verlangen van de aartshertog uit te voeren onder voorbehoud dat het beheer van het goed van de zusters – ook na hun sterven – aan de magistraat zal blijven en dat de Kapucijnengemeenschap nooit meer dan 13 leden mag tellen.

ACTIE EN REACTIE

Op 6 oktober 1609, dus daags na het besluit van het stadsbestuur, worden de zusters twee aan twee op het bisdom ontboden. Daar worden zij opgewacht door Mgr. Maes, Jonker de Cortewyle en Gilles Raedt, de schepenen, alsmede de griffier, Roeland Carpentier.
In dit gezelschap wordt aan de zusters het onwederroepelijk besluit meegedeeld dat zij hun woning moeten ontruimen en een ander huis met tuin betrekken of naar keuze met een ander kloosterorde aansluiten.
De zusters geven niet toe. Zij blijven tot de volgende dag opgesloten in een kamer van het bisschoppelijke paleis.
Gedurende de nacht laat het stadsbestuur het klooster bezetten en de meubels en inboedel naar een nieuw verblijf overbrengen.
Op 7 oktober ondertekenen de zusters een acte van afstand… natuurlijk uit schrik bewogen. Later zullen ze beweren de acte niet voldoende te hebben begrepen. Ook de voogden van de zusters zijn ontboden. Na lange beraadslaging verklaren zij zich bereid het klooster af te staan en niet verder te procederen.
Op hun verzoek krijgen de zusters een afschrift van het besluit van de aartshertog.
Op 22 oktober gaan de zusters in beroep. Adriaan Bultynck, bediende van het bisdom, getuigt vóór Fr. Ramault: “dat de nonnen enkel onder dwang hun toestemming hebben gegeven…”
Wat gebeuren moest, is gebeurd. Het volk is tevreden met de verandering.

KAPUCIJNEN TE IEPER

Op 9 oktober 1609 worden de paters plechtig in processie in het klooster geleid. Pater Bonaventura, de overste, is nog niet aangekomen. Elf medebroeders staan klaar voor de plechtigheid. Het stadsbestuur is aanwezig en de bisschop voltrekt de ceremonie van de kruisplanting en houdt daarna een toespraak tot het volk.
Op 29 oktober laat een schrijven van nuntius Bentivoglio doorschemeren hoeveel nut hij te Ieper verwacht van het goede voorbeeld en de predikatie.
Enkele maanden later ondervinden de paters reeds dat het kloosterleven veel te eng is voor hun levenswijze en werkzaamheden. Het oude klooster met zoveel moeite bemachtigd, wordt genivelleerd. Enkel de grond en de kerk blijven behouden.
De paters blijven - zoals het Kapucijnen past - niet bij de pakken neerzitten. Op 24 september 1610 nodigt de nieuwe overste, pater Henricus, het schepencollege uit voor de plechtigheid van de eerste steenlegging van het nieuwe klooster. Twee dagen later is het schepencollege present, terwijl bisschop Maes de eerste steen legt en zegent.
De bisschop moet kort daarna gestorven zijn want de annalen vermelden dat reeds op 28 oktober de nieuwe bisschop, Mgr. de Visschere, bij de Kapucijnen komt om er de kerk toe te wijden aan O.L.Vrouw.
Remigius van Beauvais en later Eustachius van Templeuve, leiden de bouwwerken. De stad die vroeger het voorbehoud stelde niet de onkosten op zich te nemen, verleent toch herhaalde malen geldelijke toelagen. Op 24 maart 1616 schenkt de stad nog een groot perceel aan de Kapucijnen, met de voorwaarde om in de omheiningmuur een paar ingangen te voorzien voor de ruimdienst en tevens de mogelijkheid te creëren om snel water te kunnen halen in geval van brand.
Ieper staat zo in de belangstelling dat de Kapucijnen hun provinciaal kapittel houden in het nieuwe klooster.
                  

PLAATSBEPALING

Het klooster staat in de Zuidstraat (nu Rijselsestraat) op korte afstand van de Sint-Pieterskerk, op het einde van een gang. Die gang wordt later het “Capucienenstraatje” genoemd, thans de Sint-Catharinastraat.
Het klooster zelf is gelegen op het einde van de Sint-Catharinastraat, achter de huizen van de Rijselsestraat en tussen de Lombaardstraat en de Klaverstraat.

GEBOUWEN

Zoals hoger reeds vermeld lezen we in de annalen dat “De Kapucijnen mogen nooit het getal 13 overschrijden”. En toch is het nieuwe klooster gebouwd voor 25 personen.
Verder in de annalen vinden we, en dit reeds in 1628 “dat de Kapucijnen wel voorbeeldig leven, doch in Ieper er te weinig paters zijn om de omliggende parochies regelmatig te bezoeken.”
In 1629 verneemt men dat het klooster te klein is. Dit jaar heeft men één van de vijf ziekenkamers in twee cellen veranderd zodat er nu plaats is voor 27 personen!
Aan de oude kerk is verandering gekomen aangezien de annalen vermelden dat op 22 juli 1642 het hoogaltaar, door bisschop Judocus Bouckaert, ter ere van Sint-Franciscus wordt geconsacreerd.
In 1657 wordt een nieuwe toren gebouwd waarvoor de stad op 18 april 1657 25 pond schenkt en op 5 februari 1658 nog eens 50 gulden er bovenop.
Door de stadsbijdrage is ook de tuin verruimd en strekt zich uit tot aan de Lombaardstraat. Op de hoek van het erf staat de leenbank of “Lombaard”, die zijn naam aan de straat zal geven.
Vanuit de Lombaard kan men alles zien en horen wat er in het klooster en in de tuin gebeurt.
Op 20 april 1663 besluit het definitorium, of algemeen bestuur van de Kapucijnen, om de Lombaard te kopen met de bedoeling meer persoonlijke vrijheid te hebben. Meteen kan ook de tuin verruimd worden.
Het volgende jaar komt de Kapucijnengeneraal, Marcus Antonius, Ieper bezoeken. Zijn aandacht wordt op die ongemakkelijke toestand getrokken en hij geeft de toestemming om de Lombaard te kopen, tenminste als de prijs niet overdreven is… In dit geval is het beter een hoge muur te bouwen om het zicht te belemmeren.
De eigenaars vragen niet minder dan 1600 pond, terwijl de syndicus er maar 1000 aanbiedt. Op 3 mei, laat het definitorium toe de prijs tot 1100 of 1200 pond te verhogen. De eigenaars zijn niet te bewegen en reeds vóór 26 augustus is de muur afgewerkt.
De eigenaars van de Lombaard hebben misschien wel spijt niet verkocht te hebben, dit blijkt uit een latere verklaring van het definitorium waarin staat: De Lombaard niet te kopen tenzij de eigenaars zouden bereid zijn de aan de muur gedane onkosten te vergoeden.
Kort daarop wordt dan maar een nieuwe Lombaard gebouwd die tijdens de eerste wereldoorlog volledig vernield zal worden. Op de ankers in de oude muren stond de datum 1665 ingebeiteld.
In de Volderstraat is een inrijpoort naar het klooster. De poort is niet groot genoeg om de wagens door te laten, dit ondervindt men vooral wanneer het gebedelde hout thuisgebracht wordt, dan moet men langs het erf van de buurman binnenrijden.
De mensen, die de paters genegen zijn, willen die toestand doen ophouden en stellen voor het huis dat boven de inrijpoort is aan het klooster te schenken Het definitorium geeft daartoe de toestemming met de opdracht het gebouwtje af te breken en een ruimere poort te laten maken Nog drie huizen worden bijgekocht die op aanbeveling van het stadsbestuur mogen geamortiseerd worden. De omheiningmuur wordt rechtgetrokken en een houtschuur gebouwd.

BRAND

Na de oprichting van de Rijselse provincie, nu onze streken reeds onder Franse invloed komen, wordt te Ieper voor de Vlaamse custodie, of de Vlaamse kloosters, een weverij opgericht met de bedoeling dat de paters zelf stoffen zouden weven voor de Kapucijnenhabijten.
Op 8 juli 1769 slaat de bliksem erin en alle getouwen en weefsels worden een prooi van de vlammen. Dokter Van Daele, onder pseudoniem Vaelande, die het eerste letterkundig Vlaams tijdschrift onder de naam “Tijd-verdyf” begint uit te geven, drukt in de eerste aflevering een gedicht af met de titel: “De Capucynen in brand”
       

                     Sy draegen elk om ’t seerst in d’overstaende huysen

Al wat de bange vrees soo seldsaem deed verhuysen.

Een aemtje lekkren wyn uyt een verholen sucht

Word door kloosterlien sorvuldiglyk gevlucht.

Een hoop van suyderwaert gesakt, sien langs de straten

Nae sinte Pieterskerk der Vadren heyl’ge vaten.

Gedragen door den schrik, met schaersche eerbiedigheyd

Daer torst me in eenen stoel hun gigtige overheyd.
 

De brand wordt door de schrijver wel wat gedramatiseerd en opgeschroefd. Na een uur is het onheil bezworen, het klooster blijft gespaard. De schade aan de weverij is groot. Het provinciale kapittel van Rijsel schrijft voor dat ieder pater van de Vlaamse custodie zou bijdragen voor de heropbouw van de weverij, maar dit zal niet gebeuren.
Als men in 1774 aan de gardiaans schrijft en oplegt om wol naar Ieper te sturen, moet men daaruit verstaan dat deze daaruit wol naar Rijsel of Gent sturen in ruil voor habijtenstof.
Maar we lopen de tijd wat vooruit, terug naar de beginperiode:

PROCES

In het jaar 1630 sterft de voorlaatste zuster van de zes die uit hun klooster moesten verhuizen. Zuster Magdalena Fanonchy blijft nu alleen achter. Bij het inkijken van alle papieren van de overledenen, vindt zij de titels van hun bezittingen en de stukken over de feiten uit 1609. In haar brein ontstaat het plan om, zo mogelijk, het verleden ongedaan te maken en het verloren bezit weer in handen te krijgen. Ze stelt een advocaat aan om haar rechten te verdedigen en hij brengt de zaak voor het hof van Rome.
Op 1 juli 1631 belast Paus Urbanus VIII de bisschop Nemius van Antwerpen met het beslechten van de netelige zaak.
Op 14 augustus schrijft offciaal van de Zype een dagvaarding voor de bisschop, de Kapucijnen en het stadsbestuur van Ieper. Zij worden op 21 november verwacht voor zijn rechtbank te verschijnen.
Jan van de Donck wordt door de zusters tot hun procurator aangesteld.
Jan Hermans zal het bisdom vertegenwoordigen en Gilles Navegheer zal de Kapucijnen verdedigen.
De paters Kapucijnen vragen verder nog raad aan drie bekende rechtsgeleerden: Hereb Masius, van der Perre en Van Santvoort. (Voornamen niet vermeld in de annalen.) Deze stellen verscheidene oplossingen voor en beklemtonen twee punten:

- Vooreerst moet men er bezwaar tegen maken dat het Romeinse dekreet geen “placet” heeft. (Placet = koninklijk verlof, vergunning, om een kerkelijke beschikking openbaar te kondigen)

- Verder is het tegen het geldende recht dat een Vlaamse onderdaan voor een rechtbank buiten het graafschap gedaagd wordt.

De provinciale S.M. Bergen heeft zich reeds tot de koning gewend om brieven van cassatie aan te vragen. Hij wijst erop dat de tekst van Rome geen placet heeft.
Bij de opening van het proces op 21 november 1631, vraagt en verkrijgt de gardiaan van Ieper, Silvester Hazebroek, drie weken bedenktijd.
Ondertussen worden op 5 en 22 december zittingen gehouden te Antwerpen.
Pater Serafinus van Brussel heeft reeds in november naar hogerhand geschreven om het standpunt van de Kapucijnen te verdedigen. Hij wijst erop dat Bentivoglio, in 1609 nuntius te Brussel, van de toestand op de hoogte was.
De congregatie neemt contact op met Bentivoglio en met een gunstig resultaat want op 2 januari 1632 wordt de nuntius te Brussel met de zaak belast. Hij zendt een verslag naar Rome en op 26 januari besluit de congregatie het begonnen proces te laten schorsen en te Ieper het advies van de bisschop te vragen.
Niettegenstaande alles houdt de geestelijke rechtbank van Antwerpen nog nieuwe zittingen op 19 en 23 januari. Op 31 januari wordt pater Silvester, gardiaan te Ieper, een tweede maal gedagvaard om te Antwerpen voor de officiaal te verschijnen. Nu komt het stadsbestuur van Ieper op de bres omdat het bevel het proces te schorsen niet wordt nageleefd en besluit eenvoudig het bezit van het klooster aan te slaan, indien de officiaal niet gehoorzaamt.
Daarop verleent Brussel op 14 januari 1632 een gunstig antwoord en dit wordt op 16 januari aan de zusters meegedeeld.
Het wordt stilaan bedenkelijk. De mogelijkheid schijnt niet uitgesloten dat men zal pogen de zaak te Rome aanhangig te maken. Daar ziet zuster Magdalena geen kans om het pleit te winnen en zullen bovendien de onkosten hoog oplopen.
Daar de zuster niet begrijpt hoe de stadsraad het pleit gewonnen heeft, schrijft zijzelf naar de koning. In de brief staat o.m. dat zij het schorsen van het proces bedrieglijk vindt krachtens geheimzinnige voorrechten van de stad. Verder vraagt zij om de tekst van dit privilege te mogen zien.
Op 1 maart komt een bevel van Brussel om haar voldoening te schenken en op 22 maart wordt dit aan de magistraat meegedeeld.
De bekende Sanderus, die tot hiertoe de raadsman van de zusters is geweest, wordt op 26 juni 1632, bij notariële acte, tot procurator aangesteld om de rechten van de zusters te verdedigen.
Natuurlijk heeft zuster Magdalena een hele hoop processen moeten betalen. Nu verbiedt het stadsbestuur om daarvoor geld van het klooster te gebruiken. De jongere zusters die na 1609 zijn ingetreden, voelen niets voor dit proces en maken er zich geen zorgen over.
Het volgende jaar wordt zuster Magdalena erg ziek. Ze voelt haar einde naderen en op 14 januari 1633 laat zij een notariële akte opmaken waarbij ze, na haar dood, al haar rechten en aanspraken aan de abdij van Roesbrugge afstaat. Zij laat klaar en duidelijk in de akte ook opnemen dat het proces moet doorgevoerd worden. Kort daarop sterft zuster Magdalena. De laatste van de nieuwe zusters sterft op 13 juni 1651.
Op 15 juni dienen de ongeschoeide karmelieten een aanvraag in om het bezit van het “uitgestorven” klooster te mogen overnemen. De officiële vraag wordt naar Rome gestuurd. Dit is hier van belang. Hoofdzaak is dat de Kapucijnen ongestoord hun klooster in Ieper blijven bewonen.

KAPUCINESSEN

Waar de Kapucijnen verblijven, dagen doorgaans de kapucinessen op. Het is de beleving van de “Roman van de Heilige” over St.-Franciscus en de H. Clara.
Volgens het gelofteboek spreekt Joanna Barbier haar geloften uit in Ieper op 24 maart 1637. De verblijfplaats van de zuster is geschiedkundig geheim!!
De oorkonden vermelden in 1655: Mgr. Robles, negende bisschop van Ieper, geeft hun de toelating om zich in de Tegelstraat te vestigen. Vele jaren verblijven ze in kleine huizen.
Een klooster voor de kapucinessen wordt echter pas vele jaren later gebouwd, nl. in de 18de eeuw, want in de annalen lezen we verder dat de bisschop Joannes Baptista de Smet de eerste steen legt van een klooster ten jare 1729.
In 1732 wordt naast het klooster een kapel opgetrokken waardoor het Hermitinnen-straatje verdwijnt. De brug over de Ieperlee, in de Tegelstraat, wordt omwille van dit klooster “Capucinessenbrug” genoemd.
Onder de Spaanse bezetting bloeit het katholicisme.
De kerk en de religieuzen worden materiaal flink gesteund. De Fransen met koning Lodewijk XIV verdrijven de Spanjaarden uit onze gewesten. De nieuwe bezetting brengt natuurlijk veel verwarring. Na Frankrijk domineert Oostenrijk. Keizer Jozef II wil over alles zijn zeg hebben en dus ook over de kerk. Hij schaft talrijke kloosters en religieuze gemeenschappen af of laat ze fusioneren.
In 1783 komt het kapucinessenklooster aan de beurt en moet volgens Jozef II verdwijnen. Hij laat het overmaken aan het St.-Jansgodshuis om te dienen als verblijf voor de armen, zieken en bejaarden.
Na Oostenrijk komen we nog maar eens onder Frankrijk die uit een revolutie ontwaakt. Onder de Franse bezetter wordt het gewezen klooster en tevens godshuis verbeurd verklaard en staatseigendom.

In 1860 dient het gebouw als weverij en in 1882 komen gehuwde soldaten er wonen. De voormalige kapel wordt de turnzaal van het garnizoen. 

Kapucinessen / Sint-Jansgodshuis, hoek Tegelstraat met de Sint-Christoffelstraat.

 

DE KAPUCIJNEN TE IEPER VERVULLEN HEEL WAT TAKEN

 

1) DE PREDIKATIE

 
De Kapucijnen zijn een gemengde orde.
Zij wonen samen in een klooster.
In 1629 preken de paters Kapucijnen te Ieper.
- Dit gebeurt o.m. In de kathedraal op alle zon- en feestdagen en om drie uur na de vespers.
   De grote passiepreken op Passie- en Palmzondag van 15 tot 17 uur.
- In de O.L.Vrouwkerk te Brielen: Iedere vierde zondag van de maand om 14.30 uur groot
   sermoen.
- Sint-Pieterskerk: gedurende de advent en de vasten om 19.00 uur.
- Sint-Jacobskerk: éénmaal in het jaar, in de zogenaamde “Gulden Mis”
- Sint-Janshospitaal: daar wordt geregeld gepreekt.

 Er is betrekkelijk weinig te doen voor de verschillende predikanten. Er is van buitenuit een rem op gezet. In 1629 komt een bevel van Mgr. Joris Chamberlain aan de heren pastoors: Aan de paters geen verdere “staties” of preekgelegenheid te geven. Het waarom van die beperking wordt in de annalen niet vermeld.
Niettemin neemt de predikatie toch een snelle uitbreiding. De eerste aanvragen buiten de stad komen uit Dikkebus en Zillebeke. Het smeulende vuur wordt tot vlam want na enkele jaren zijn de Kapucijnen in alle omliggende dorpen de gevraagde predikanten.
Hier ware het te lang om de annalen op te sommen maar ongeveer tweederde van de dorpen gelegen in de huidige decanaten Ieper en Poperinge, met daarbij verschillende parochies in de decanaten Torhout en Roeselare, beluisteren geregeld hun predikatie. Wat de stad Iepern betreft, het rembevel wordt nog eens herhaald in 1643 door Mgr. Judocus Bouckaert, reeds tweede opvolger van Mgr. Joris Chamberlain.
Om de geest van de tijd te begrijpen is het goed te vermelden dat de opvolger van Mgr. Chamberlain, de historisch meest vermelde Cornelius Jansone is, het best gekend onder de naam Jansenius, die in april 1638 door de pest aangetast wordt en kort daarop gestorven is. 

2) DE PESTVERZORGING 

Indien wij de jaartallen vergelijken, begrijpen we onmiddellijk dat de tijd van uitbreidende predikatie samenvalt met de pesttijd.
In het testament van de H. Franciscus staat:

De Heer gaf mij, broeder Franciscus, zo te beginnen boetvaardigheid te doen.

Toen ik namelijk in zonde was, scheen het mij al te bitter melaatsen te zien,

en de Heer bracht mij bij hen en ik bewees hen barmhartigheid.

En toen ik van hen wegging, was hetgeen mij eerst bitter scheen veranderd in zoetigheid voor ziel en lichaam.” 

De geest van de stichter getrouw, zullen de Kapucijnen al het mogelijke doen om de pestlijders te helpen.
Vroegere pesthuizen zijn verdwenen. We lezen in de annalen: daar er geen pesthuis bestaat, schenkt de stad aan de Kapucijnen – op 23 maart 1621 – 50 pond gulden om er één te kunnen bouwen. Nog milder is Marius van Zele die bij zijn professie nog 800 gulden legateert zodat het gebouwtje (op het einde van de kloostertuin) volgende jaar kan voltooid worden. Het kost ongeveer 1800 gulden.
In 1628 wordt een nieuw pesthuis opgericht, op voldoende afstand van het klooster. De voorzorg is noodzakelijk, vooral dat er nog geen moderne ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Een afgelegen pesthuis is dus noodzakelijk voor de gezondheid van de bevolking. De plaats van dit verder afgelegen pesthuis is een historisch geheim. Waarschijnlijk viel dit samen met het “leprozengesticht” te “Hoge Zieken” (Sint-Jan).
In het jaar 1637 breekt te Ieper weer de pest uit en daar het leprozencentrum in onbruik geraakt is, wordt nu hoger langs de vaart een pesthuis opgetrokken. Het zal blijven bestaan tot in 1721. Dit pesthuis is niet door de Kapucijnen gebouwd. 

Pater provinciaal, Juvenalis, schrijft naar de vicarissen-generaal van Ieper met het verzoek paters aan te duiden voor de ziekenverzorging in het bisdom Ieper, en wanneer een pater daardoor zijn leven verliest dan maar een andere pater aan te duiden.
Pater Blasius en de broeders Victor en Rochus melden zich bereid om deze taak op zich te nemen. Pater Willibrordus offert zich reeds voor de tweede maal op om de pestlijders te verzorgen.
Pater provinciaal gaat zelf op bezoek naar Ieper waar hij enkele dagen onpasselijk is en op 2 november 1641, Allerzielen, sterft in het ziekenhuis.
Ieper staat zozeer in de belangstelling van de Kapucijnen dat ze het kapittel (algemene verkiezing) in Ieper houden op 15 augustus 1642. Pater Cassianus van Gelderen wordt tot nieuwe provinciaal verkozen.
In 1645 breekt alweer die besmettelijke ziekte uit en meteen schrijft de provinciaal dat alle Kapucijnen, die het verlangen, de pestlijders mogen verzorgen, zo nodig ook in andere streken.


 

 TUSSENDOOR VERMELDEN WE ENKELE HISTORISCHE MEMENTO’S (Deel 1)

1)

Onder het bewind der geuzen wordt de abdij van Voormezele geplunderd. De kanunniken zijn met hun H. Bloedrelikwie naar Ieper gevlucht. Daar zal de relikwie voor verdere plundering veilig gesteld worden.
In 1664, onder de Spaanse bezetting, is de kerk weer veilig en de abdij wordt herbouwd. In datzelfde jaar wordt de H. Bloedrelikwie teruggedragen naar Voormezele.
Marcus Antonius à Carpendulo, generaal van de Kapucijnen, is in Ieper voor een bezoek aan zijn medebroeders. Op 20 april 1664 wordt hem de eer toegekend om het H. Bloed naar Voormezele over te brengen. Hij wordt daarbij vergezeld van alle Kapucijnen van Ieper, de vicarissen van het bisdom Ieper, de geestelijken en edelen van Ieper en een massa volk uit Ieper en de omliggende dorpen.

2)

In 1713 vieren de Kapucijnen met geestdrift de heiligverklaring van hun medebroeder, Felix van Cantalicië. Ook te Ieper. In de voormiddag wordt heel devoot de H. Sacra-mentsprocessie gevolgd. Iedereen doet godvruchtig mee maar de Kapucijnen die ook van een beetje plezier houden, zorgen dat er aan de namiddag een andere invulling wordt gegeven.
De bisschop echter duldde niet dat er zoveel lichtzinnigheid geschiedde om een heilige die ’s morgens nog met een processie werd vereerd. De Kapucijnen gaven als antwoord: “God laat ook toe dat de heiligen het goede smaken en plezier hebben.”

 3)

Bij de intrede in de orde krijgt ieder persoon een andere naam, noem het een ‘kloosternaam’ en met die kloosternaam wordt hij aangesproken en blijft hij verder bekend. Gewoonlijk zijn er onder de nog levende van een zelfde provincie, geen twee medebroeders met de zelfde naam.
Eerst na het sterven van een medebroeder wordt zijn naam aan een nieuwe kandidaat overgedragen. Om de levende en doden te onderscheiden wordt aan de naam, de naam van zijn geboorteplaats toegevoegd. De annalen vermelden meer dan honderd namen waaraan “van Ieper” wordt toegevoegd. Zo weten wij met zekerheid dat veel Ieperlingen tot de Kapucijnenorde zijn toegetreden. Hier vermelden wij enkel die Ieperlingen waarvan de familienaam in de annalen bewaard is gebleven, alsook de datum van intrede in het klooster.

            1593    P. Hiëroniums = Zepherien van Hamme, z.v. Christofoor en Margarit Langemeershe
1605    Br. Aegidius = Jacobus Moerel, z.v. Christoforus en Maria Lettens
1610    Br. Marcellus = Michael Pereboom, z.v. Joannes en Anna Baldemaer
1614    P. Onesimus = Oliveere de Kiem, z.v. Cornelius en Isabelle Senesaels (goudsmeden)

1615   P. Hubertinus = Gerard van Houcke, z.v. Matheus en Adriana de Clerck (of Clerckx)
1615   P. Joseph = Henricus van de Stichele,
z.v. Petrus en Margarita de Codt
1617    P. Honoratus = Petrus de Babinga, z.v. Timotheus en Cornelia Rubrest (glasschilders)
1619    P. Alexius = Joannes Wullaert, z.v. Hercules en Maria Laurens
1621    P. Marcianus = Petrus Braem, z.v. Joannes en Jacoba Amaere
1626    P. Livinus = Jacobus de Ghelcke, z.v. Goerge en Paulina van Eecke
1627    P. Mauritius = Joannes Baptista Makeke, z.v. Clemens en Maria Teresia Gougler
1629    Br. Agapitus = Willem de Wyndt, z.v. Martinus en Magdalena Berchs
1634    Br. Paulinus = Joannes de Vos, z.v. Jacobus en Joanna Pours
1636    P. Felix = Abraham Moreel, z.v. Abraham en Maria Bocklelion
1636    P. Vitlais = Jacobus van de Beke, z.v. Jacobus en Maria de Clerck
1637    P. Remigius = Willem Provoost, z.v. Willem en Joana Ghelkes
1639    P. Georgius = Joannas Baptista de Ghelke, z.v. Joannes en Maria Bonaert
1640    P. Angelus-Maria = Petrus Bultueel, z.v. Joannes Baptista en Margarita van de Stichele
1640    P. Reginaldus = Jacobus Allein (ouders niet vermeld)
1644    P. Cyprinaus = Paskal Lottius, z.v. Matias en Elisabeth Craylinx (van Ierse afkomst)
1647    P. Dionisius = Carolus de Wyndt, z.v. Jacobus en Margareta Bocquilioens
1647    P. David = Jacobus van de Broucke, z.v. Gislenus (stadsraadslid) en Catharina Dumont
1648    P. Lambertus = Judocus de Puudt, z.v. Jacobus en Petronella Rabaut
1651    P. Ildefons = Joannes Braem, z.v. Henricus en Joanna Honneret
1653    P. Silvanus = Joannes Coulau, z.v. Joannes en Magdalena Bekees (of Becquet)
1662    p. Erasmus = Jacobus Moreel, z.v. Nicolas en Maria van de Berghe
1668    P. Theodorus = Nicolaas Dheynault, z.v. Nicolaas en Lucretia de Vos
1677    P. Eugenius = Petru Antonius Possenier, z.v. Antonius en Maria van Elstrack
1682    P. Fidelis = Jacobus Lefebure, z.v. Willem en Antonia Delamarche
1683    P. Didacus = Cornelius Waleweyn (ouders niet vermeld)
1683    P. Franciscus = Bernard Lefebure, (br. van Fidelis), z.v. Willem en Antonia Delamarche
1689    P. Anselmus = Jacobus Delva, V Joannes Baptista en Cornelia Maes
1691    P. Augustinus = Joannes Baptista de Boo, z.v. Joannes en Maria Francisca Rebreu
1702    P. Raphaeël = Jacobus Willem Dours, z.v. Willem (“stadt’s heler” van O.L.V. Gasthuys ende gezworen vroe-meester der stede van Iperen”) Had zes kinderen die allemaal in
             een kloostergemeenschap leefden: Rekollektien, Kapucines, Klaris, Geestelijke dochter, Rekollekt en Kapucien)
1711    P. Basilianus = De Cruyssaert (niets meer over bekend)
1715    P. Antonius = Erasmus Franciscus Leroux (of Laroux, schrijfwijze niet duidelijk)
1716    P. Wilhelmus = Willem Joseph Merghelynck
1725    P. Ivo = Maerten
1733    P. Mansuetus = Blanckaert
1734    P. Elzearus = Dhautefeuille, z.v. Nicolaas en Maria Catharina Ostyn
1744    P. Stanislas = Philippus Monteyne, z.v. Willem en Isabella de Bœuf
1750    P. Felicianus = Jacobus Bourgeois, z.v. Joseph en Maria Francisca van de Winckele
1756    P. Rochus = Eugenius Hally, z.v. Ferdinand en Maria Buvrot
1757    P. Bernardus = Carolus van Robays, z.v. Carolus Judocus en Margarita Calvo
1759    P. Jacobus = Ivo Fernand Maerten, z.v. Jacobus en Catharina van de Berghe
1759    P. Joseph Antonius = Antonius Hamilton, z.v. Cornelius en Joanna Clays
1760    P. Fulgentius = Petrus Carre, z.v. Petrus (leerlooier) en Anna Jacqueline Maertens
1765    P. Bruno = Petrus Benodoy, z.v. Pierre Claude en Térèse Simon
1768    P. Joannes Chrisostom = Jacobus Lotte, z.v. Nicolaas en Isabella Lemahieu
1769    P. Valentinus = Petrus Joseph Fournier, z.v. Petrus en Isabella Maertens
1771    P. Henricus Soetemont, z.v. Bernardus en Maria Jacqueline Bonte

 
Bronvermelding:

Deze namen van broeders en paters Kapucijnen zijn opgenomen, soms met een kleine levenschets, in: “De Kapucijnen in de Nederlanden”, deel VII, door P. Hildebrand, archivaris. In dit werk vinden we de kloosternamen in alfabetische volgorde, niet in chronologische orde zoals hierboven vermeld.


 

 

OOSTENRIJKSE TIJD

 Onder het bewind van Joseph II van 1780 tot 1790 zijn we dus onder Oostenrijk. De keizer steunt de kerk niet. Hij bewerkt een religieuze hervorming: de beschouwende orden worden eenvoudigweg afgeschaft. De verschillende bisschoppelijke seminaries worden gesloten en vervangen door keizerlijke seminaries zoals te Leuven en te Luxemburg. Kerkelijke goederen en kloosters komen onder staatscontrole. Ieder klooster moet een inventaris opmaken van de bezittingen.

 Een document uit die periode.

Oostenrijksche Nederlanden - Bisdom Ieper - District Ieper

Provincie van Vlaanderen

’t Klooster der paters Capucienen van de stadt Iper

 De paters Capucienen deser stadt verklaeren geene goederen ofte besittingen te hebben dan alleenlyck tot hun gebruyk te hebben het klooster met kerke, hoff,  ap – en dependenten, soo ende gelyck het selven gestaen ende gelegen is binnen dese stadt in de zuydstraete, parochie Ste Pieters. Voorders verklaeren dat het klooster noch desselfs sacristie geene de minste inkomste en heeft nochte ook ergens mede belast is.

 Ick onderteekene hetselve met rechtsinnige waerheid.

Pater Joannes Damascenus, Capucin, gardiaan.

 
Na streng onderzoek is de verklaring juist bevonden. Niets wordt hier aangeslagen.
Groter is de bedreiging die voortaan zal komen uit Frankrijk.

FRANSE REVOLUTIE

Na de Spaanse en Oostenrijkse bezetting is het de beurt aan de Fransen.
De Franse revolutie kent ook zijn gevolgen in onze streken. In Frankrijk wordt het instituut Kerk aangevallen. Kerken en kloosters worden geplunderd, eigendommen worden aangeslagen.
Frankrijk loert ook op ons land. Geleidelijk komen er aanvallen op de Oostenrijkers. Reeds vóór de revolutie, in 1772, wordt Ieper een paar malen bezet. Er werd telkens massaal geplunderd en alles wat kostbaar was en niet te zwaar slepen ze naar Frankrijk.
Onder de bedreiging neemt de bisschop, Karel van Arberg, tijdelijk de vlucht.
Op 19 juni 1794 is dan de blijvende bezetting van Ieper begonnen en de Ieperse gewesten worden bij Frankrijk ingelijfd. De geestelijken worden vervolgd, de kerkelijke goederen en kloosters verbeurd verklaard.

 HET KLOOSTER VAN DE KAPUCIJNEN

 Op 16 november 1797 wordt het Kapucijnenklooster van Ieper openbaar verkocht.
De aanbesteders zijn de heren Joan Terryn, zoon van Pierre (organist), en Constantin Vergeelzoone van Wytschate. De totale aankoop bedraagt 43.100 Franse Frank. De nieuwe eigenaars laten de gebouwen gedeeltelijk slopen en verkopen de grond aan de omwonende eigenaars:
 - Jean Cailliau, brouwer in de brouwere “La Harpe” en
- Jean de Cae, brouwer in de brouwerij “Le Corbeau”.
Later, in 1869, komt op een deel van de vroegere kloostergrond de brouwerij van de gebroeders Verheyleweghen en in 1914, vlak voor de eerste wereldoorlog, komt het in handen van de brouwerij van de familie Ghillebert.
Na de oorlog, in 1924, verzekert de heer Isidoor De Haene, die op dezelfde plaats een mechanische meubelmakerij heeft, dat men voor meer dan 30 jaar, bij het graven van de kelders, gebeenten heeft gevonden, waarschijnlijk afkomstig van de kloosterbegraafplaats. Naar de oude gewoonte van de Kapucijnen werden de medebroeders in een kleine pandhof binnen de kloostermuren herbegraven.


 

ENKELE HISTORISCHE MEMENTO’S (Deel 2)

 Hier volgen de namen van Kapucijnen die door de Fransen uit Ieper werden verdreven of die vervolgd werden.

 - Br. Christoforus de Legher van Ieper.

Hij was termijnbroeder in Ieper. +1797

- P. Franciscus Pillaert van Ieper,

geboren op de Sint-Niklaasparochie. +1801

- P. Jacobus Maerten = Ivo Fernand Maerten,

z.v. Jacobus en Catharina Teresia van de Berghe. Gardiaan van het klooster te Ieper 1791 – 1795. Omdat hij beëdigd is wordt hij naar de gevangenis van Brugge gestuurd.
Wegens ziekte weer in vrijheid gesteld en sterft te Ieper in 1802.

- Br. Donatus Leeuwerck,

            wordt ontvoerd uit het klooster te Ieper.

- P. Livinus van Poperinge = Joannes Hemeryck, z.v. Michel en Anna Milleville

            wonend in het klooster te Ieper. Vermits beëdigd wordt hij aang
             Komt terecht op het Franse eiland Rhé en later teruggestuurd naar Ieper.
            
Hij sterft in de Lombaardstraat nr. 113 op 2 augustus 1806.

- P. Willem van Ieper = petrus van Eslande, z.v. Willem en Petronilla Bigodt.

Als beëdigd ter deportatie veroordeeld op 4 november 1798. Aangehouden op 15 november en de volgende dag over Nieuwpoort naar Rasphuis te Brugge overgebracht. Komt vrij in 1799 en sterft te Ieper op 14 oktober 1806.

- P. Valentiunus van Ieper = Petrus Fournier, z.v. Carolus en Isabella Maertens.

Zijn bloedverwant, schilder en geneesheer, drukt gelegenheidsgedichten die later opgenomen worden in “Naergelaetene toneelstukken en rymwerken”. Hij schrijft dat zijn broer, ook vóór het aannemen van het kloosterleven, onstandvastig en veranderlijk is.
De pater zal in Veurne instaan voor apostolaatwerk. Hij komt uiteindelijk in de gevangenis terecht. Eenmaal weer vrij schijnt hij bekeerd en wordt zelfs pastoor te Vulverdinghe. Onder de revolutie wordt hij beëdigd en blijft in Ieper maar zonder priesterlijke bediening. Deken Vermeersch zegt hem niet opnieuw te kunnen aannemen om het volk niet te ergeren. +1810

- P. Joseph Antonius van Ieper, z.v. Joseph Hamilton (uit Schotse familie) en Joanna Clays.

Als onbeëdigd wordt hij gevangen genomen, naar Rijsel overgebracht en opgesloten bij de Cellebroeders. Vervolgens overgebracht naar Rochefort en Oleron. Hij blijft daar tot 21 februari 1800. Later komt hij nog terug naar Menen bij zijn medebroeders en sterft er op 1 september 1810.

- P. Vedastus van Ieper = Livinus Ampe, z.v. Stefanus en Scholastica Ramoen.

            Hij is de laatste die Kapucijn geworden is in de stad van Jansenius.
            Als beëdigd wordt hij te Menen aangehouden op 19 november 1798.
            De volgende dag naar Rijsel vervoerd, later naar Rochefort en Oleron.
            Terug te Menen in 1800 en sterft er op 18 januari 1812.

- P. Joseph Seyns van Duinkerke, werd uit het klooster van Ieper ontvoerd.

- Br. Didacus Victoor van Vlamertinge, ook uit Ieper ontvoerd.

- P. Placius van Ieper = Henri Soetemont, z.v. Bernard en Jacqueline Bonte.

            Wordt aangehouden te Veurne en opgesloten bij de Cellebroeders te Brugge.

Later overgebracht naar Oleron en zit er gevangen van 14 februari 1799 tot 21 december 1800. Eenmaal terug in Veurne mag hij er alleen verblijven indien hij geen priesterfuncties meer uitoefent. In 1803 wordt hij toch onderpastoor en in 1808 vlucht hij naar Hoofdplaat (in Zeeland) en is er zelfs pastoor. Op 25 juni 1817, na de Franse bezetting, keert hij terug naar Vlaanderen en wordt pastoor te Klemskerke. Hij sterft in zijn huis op 11 december 1820.

- P. Aloysius de Meester van Broekburg.

Na verjaging uit Ieper was hij 11 jaar lang directeur van de Ierse zusters en 4 jaar kapelaan van het O.L.V.-hospitaal te Ieper. Hij sterft in het jaar 1822

- P. Melchior van Ieper = Joannes van Schaeckbrouck, z.v. André en Maria Josefina Six.

            Wij vinden hem nog in Ieper in 1817.
            Hij is de laatste Ieperling-Kapucijn die in Ieper verbleef, in de Sint-Jansstraat nr. 3.
            Hij sterft op 9 juni 1825.

- Pater Filibertus van Moen.

 Hij is de laatste Kapucijn uit het klooster van Ieper.
Deken Vermeersch vindt dat die laatste waardige priester jurisdictie mag krijgen. Pater Filibertus wordt ontslagen van zijn gelofte van armoede en in 1805 wordt hij onderpastoor op de Sint-Jacobsparochie te Ieper en later te Eine en te Zomergem. Wanneer hij sterft op 11 maart 1833 is hij bekend als kapelaan van O.L.Vrouw-Brugge.

 
     1833 = DATUM VAN DE LAATSTE KAPUCIJNEN IN IEPER

    1923 = NIEUWE DATUM VAN DE KAPUCIJNEN IN IEPER 

Er is dus een afwezigheid van 90 jaar. 

Historische littekens

Na de eerste wereldoorlog was Ieper totaal verwoest. Gebouwen kunnen dus niet meer getuigen. Maar in de Sint-Maartenskathedraal te Ieper is er nog een mooie kelk bewaard gebleven, afkomstig uit de kloosterkek van de Kapucijnen. Het gaat om een kelk met drie passiemedaillons op de ronde voet. Ze stellen de passie van Christus voor: doornenkroning, kruisdraging en kalvariegroep. De cuppa-omvatting vertoont ook drie medaillons: laatste avondmaal, olijfhof en geseling. Deze kelk werd door kanunnik Jos Riga (+1830) aan de Sint-Maartenskathedraal geschonken.

 
LATERE JAREN

 
De burgerlijke archieven kunnen vertellen wat er later, vooral tijdens de eerste wereldoorlog, gebeurd is. “De dood van Ieper” is door Caesar Gezelle in zijn boek verteld. Met de dood van Ieper zijn jammer genoeg ook heel wat archieven vernield.