Deel 2:    De kapucijnen te Ieper na W.O. I

DRIE NAMEN VOOR DEZELFDE STRAAT

 KRUISSTRAAT  -  POSTHOORNSTRAAT  -  CAPUCIENENSTRAAT

 MIDDELEEUWEN

 

De keurgroep van de Ieperse burgers beperkt zich niet tot de burgers binnen de grachten. Het gebied breidt zich uit in alle richtingen tot ongeveer een kilometer buiten de Ieperse grachten.
De grenzen worden bepaald door zware stenen kruisen. Ten noorden het Sint-Janskruis, ten oosten het Sint-Winockskruis en ten zuiden het Sint-Godelievekruis en ten westen het KRUIS VAN UPSTAL. Het kruis van Upstal zal ongeveer gestaan hebben aan de splitsing van de Dikkebusseweg met de Pannenhuisstraat.
De Kruisstraat lag verder naar het westen. De naam komt dus niet van een kruising van wegen. In 1270 wordt in die westerse buitenwijk van Ieper een kapel opgericht ter ere van het Heilig Kruis. Later, door tussenkomst van een zekere Walter Mettenhand, wordt deze kapel herbouwd
tot een parochiekerk. Dit gebeurde op de plaats waar nu ongeveer Franciscushuyze gesitueerd is. Aan die kerk ontleent de straat en ook de toenmalige parochie haar naam. De pastoor van de parochie moet er warmpjes bij gezeten hebben want hij bouwt op eigen kosten een pastorie aan de overkant van de straat vlak bij de beek. Dat zijn we vrijwel zeker, want de annalen vertellen later dat de pastorie schade geleden heeft door het uitdiepen van de (Vijver)beek.
Bovendien koopt de pastoor daarbij nog een stuk grond voor een kerkhof en dit ter hoogte van de herberg “De Drie Posthoorns”. Later en tot in 1787 kreeg die herberg de volksnaam: “In ’t Cruyse Kerckhof”.
In 1297 werd de Kruiskerk verwoest tijdens de inval van de Fransen. Zoals bekend werden de Fransen op 11 juli 1302 verslagen en daarvan werd geprofiteerd om onmiddellijk daarna de kerk weer op te bouwen.
In 1383 onder een nieuw Frans beleg, gaat de kerk in de vlammen op en zal niet meer herrijzen, toch zeker niet onder de naam Kruiskerk.
De Kruisstraat werd in latere tijden ook de Posthoornstraat genoemd omwille van de aldaar gelegen reeds vermelde herberg “De Drie Posthoorns”. De herberg kreeg die naam omdat van daaruit een drietal posthoornblazers om beurt de wacht hielden en alarm moesten blazen wanneer de Fransen weer in aantocht zouden komen. Later zal die straat tot “Capucienenstraat” omgedoopt worden (zie verder). Let wel, nu draagt een andere straat de naam Posthoornstraat, een verbindingsstraat tussen de tuinwijk en de Dikkebusseweg en overlapt dus zeker niet het tracé van de oorspronkelijke Posthoornstraat. Sommige vooral oudere Ieperlingen spreken nog altijd van de Kuisstraat als ze de wijk van over de spoorweg of “bachten de statie” bedoelen.
We maken nu een fikse historische sprong voorwaarts tot aan W.O. I. Zoals algemeen bekend werd Ieper tijdens ‘den Groten Oorlog’ totaal verwoest. Na de dood van Ieper doen het stadsbestuur en de vele terugkerende vluchtelingen Ieper uit zijn as herrijzen. Ook de heren pastoors drongen aan om de kerken op de oude plaats en op de oude fundamenten te herbouwen. De Kruiskerk, sinds 1383 totaal verwoest, en nooit meer heropgebouwd, paste dus al lang niet meer in het Ieperse straatbeeld en kwam dan ook niet voor heropbouw in aanmerking.. 

PATER ILDEFONS 

Een parochie zonder kerkgebouw kon nog moeilijk een volwaardige parochie zijn en reeds lang waren de inwoners van de Kruisstraat bij de Sint-Niklaasparochie gevoegd. E. H. Denijs, tijdens en na WO I pastoor van de Sint-Niklaasparochie, vond een voorlopige hulpkerk in het psychiatrisch ziekenhuis H. Hart langs de Poperingseweg. Hij werd er zich vlug van bewust hoe een groot deel van zijn parochie door de scheiding van station en spoorweg afgezonderd en afgescheiden leefde. Bekommerd om het welzijn van al zijn parochianen en om het aan de afgezonderde wijk gemakkelijker te maken hun “kerkplichten” te vervullen, koesterde hij grootse plannen. Hij overwoog om een nieuwe kerk te bouwen zo ongeveer waar ooit de Kruiskerk had gestaan. Omwille van de toen moeilijk economische omstandigheden en de drang om zoveel mogelijk het oude te laten, werd de stadskerk boven een buitenwijk verkozen. Toch bleef de kerknood voor die buitenwijk de pastoor interesseren en hij probeerde het nu op een andere manier. Pastoor Denijs ging aankloppen bij pater Kapucijn Ildefons. De pater was een grote volksvriend in Izegem en in Roeselare die met de steun van zijn medebroeders in volle oorlogstijd bezieling stak in het culturele leven bij de gewone volksmens en die het opnam voor de frontsoldaten. Pastoor Denijs legde pater Ildefons zijn plannen voor en polste of de Kapucijnen bereid zouden zijn om in de Kruisstraat een klooster te bouwen en er ten dienste staan voor de parochianen aldaar. Let wel, in de tweede helft van de 19de eeuw was de wijk “bachten de statie” haast volledig in grondbezit van de Belgische spoorwegen die er tal van sociale woningen voor hun spoorwegarbeiders bouwden. (Er staan nu nog steeds dergelijke huizen in de Capucienenstraat, Pater Willibaldlaan en Orchideeënlaan). Dit betekende een wijk voornamelijk bevolkt door arbeiders die ten onrechte wel eens een kwalijke reputatie kregen. Terwijl pater Ildefons dit met de provinciaal mocht bespreken trok pastoor Denijs naar het bisdom. Na een vruchtbaar gesprek met bisschop Mgr. Waffelaert en kanunnik Delaere werd een officiële vraag aan het provinciaal bestuur van de Kapucijnen gezonden.
In die officiële brief van 19 februari 1923 lezen we b.v. dat de Ieperse deken zijn verlangen uitdrukt om de Kapucijnen in de stad te mogen begroeten. (Waar hebben we dat nog gelezen?) Om er spoed achter te zetten voegt hij eraan toe: dat ze voorlopig bij hem in de kost kunnen komen en dat er twee bedden ter hunner beschikking staan.
Dank zij de goede voorbereidende gesprekken van pastoor Denijs was pater Ildefons intussen al bij pater provinciaal gaan aanbellen. Het bezoek van pater Ildefons heeft zeker geholpen de doorslag te geven en in de daarop volgende bijeenkomst van de provincieraad werd het plan en de vraag aanvaard en goedgekeurd.

Voor het volk van Ieper zijn de Kapucijnen geen onbekenden. Zij hebben een gekende voorhistorie en in deze tijd ligt de werking van de Izegemse Kapucijnen, waartoe ook pater Ildefons behoort, hoofdzakelijk in het Ieperse.
In de buurt van Izegem zijn er Redemptoristen van Roeselare, de Minderbroeders van Tielt en in Kortrijk zijn er verschillende kloosters. In Ieper zijn er slechts de paters Karmelieten die hoofdzakelijk een beschouwend leven leiden.
Het is opvallend hoe op de zondagen van de vasten een achttal Kapucijnen elkaar terugvinden in het station van Ieper. Ze komen terug van de passiepreken in de omliggende dorpen op terugreis naar Izegem.

HET IS MAAR EEN AANPAK

 13 maart 1923
Een belangrijke datum in de annalen van de Ieperse Kapucijnen.
Op die dag wordt pater Ildefons benoemd tot overste van de NIEUWE STICHTING IEPER.
Bij evangelist Mattheus VIII, 20 lezen we:
“Jezus sprak tot hem: de vossen hebben holen en de vogels hebben nesten maar de Mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op te leggen.”
De eerste zorg van pater Ildefons is ergens een onderkomen te vinden. Het is niet gemakkelijk, gezien hier nog vele mensen in barakken wonen tussen het oorlogspuin.
Als een boodschap uit de hemel wordt hem aangeraden een kamertje te vragen in het H. Hartziekenhuis langs de Poperingseweg. De eerwaarde moeder verblijft in Sint-Anna nabij Kortrijk en dus trekt pater Ildefons naar Kortrijk. Hij wordt er gulhartig ontvangen, krijgt de toestemming zijn voorlopige intrek te nemen in het H. Hartziekenhuis en krijgt bovendien nog een flinke fooi toegestopt. Hij krijgt wel geen klein kamertje maar een grote ruime – bijna – woonst toegewezen.

HEILIG HARTZIEKENHUIS

Vermits de Sint-Niklaaskerk nog niet heropgebouwd is, gebeuren hier voorlopig alle kerkelijke diensten van de Sint-Niklaasparochie. Pastoor Denijs vraagt pater Ildefons om deelname in de parochiale en liturgische werkzaamheden. Kort daarop wordt pater Fridolien van Brugge (Joseph Clays) officieel benoemd tot onderpastoor van de Sint-Niklaasparochie. Daarna verloopt alles in een stroomversnelling. Reeds in september van hetzelfde jaar verlaat pastoor Denijs het ziekenhuis om de parochiediensten in de stad zelf te verrichten. De kerk is weliswaar nog niet af en de liturgische vieringen worden voortaan gehouden in de kapel van de Arme Klaren. De kerkdienst in het H. Hartziekenhuis komt sinds 23 september volledig onder de leiding van de Kapucijnen.

LAMOTTE

De diplomatie leeft voort. De geestelijkheid van de stad in aansluiting met pater Ildefons, heeft in de algemene planning, ook de buitenwijk van de stad, de Kruisstraat dus, in het oog gekregen.
Pater Ildefons heeft reeds contact genomen met de ‘Lamotjes’. Dit is de volksnaam voor de zusters van Maria met hun moederklooster in de Rijselsestraat.
What’s in a name? De edele Jonkfrouwe, Clara Vanzuytpeene-Lamotte, heeft in 1752 een school gesticht voor de zusters van Maria (op de huidige vismarkt). Wordt er gevraagd waar je kinderen school lopen, dan zeggen de mensen niet “naar de zusters van Maria” maar wel “naar de Lamotjes”. Zo is die naam verder op alle zusters van Maria overgedragen.
Gedreven door de vooruitziende blik van pater Ildefons en de groeiende nood aan een school voor de opvoeding van de kinderen op de Kruisstraat, komen de zusters in actie. In 1923 kopen zij van de heer Vermeulen uit Brussel een stuk grond langs de Posthoornstraat (huidige Capucienenstraat). Zodra de verkoop geregeld is worden onmiddellijk een klooster met aanpalende schoolgebouwen opgetrokken. Het zal de aandachtige lezer zeker niet verbazen dat pater Ildefons veel op de werken te zien is.

NAAMVERANDERING

Omwille van het Kapucijnenklooster zal de naam “Posthoornstraat” vervangen worden door “Capucienenstraat”. Oudere mensen blijven nog steeds spreken over de “Kruisstraat”. De zusters blijven nog lang bekend onder de naam “Lamotjes”. In 1958 (jaar van de stichting van de parochie) zullen zij samen gaan met de “Zusters van het Geloof van Tielt”. Een naambord “Zusters van ’t Geloof” prijkt nu aan de deur van het klooster. Dit bord wordt aangebracht, niet enkel omwille van de naambekendheid of naamverandering, maar omdat nogal wat bezoekers aan het Kapucijnenklooster de voordeur niet direct vonden belden zij steevast bij de zusters aan, in de mening: “Vlak naast de kerk wonen de paters.”

KAPUCIJNENKLOOSTER

De heer Vermeulen die reeds grond had verkocht aan de zusters, doet na het bouwen van de school en klooster gratis een stuk grond cadeau, bestemd voor een kapel of kerk.
Op 4 april 1923 wordt daaraan palend door de Kapucijnen grond aangekocht voor een eigen huisvesting.
We lezen bij Lucas XIV, 28:
“Want wie van hun die een toren wil bouwen, gaat niet eerst de onkosten zitten berekenen, of hij wel de middelen bezit om werk te voltooien. Anders zou hij wel misschien de grondslag leggen maar niet af kunnen bouwen. Dan zouden allen, die het zagen, hem uitlachen en zeggen: die man is begonnen te bouwen en is blijven steken.”

Het eerste plan

 Eerst dacht men een kerk te bouwen midden het oorlogsveld met zijn vele kerkhoven en graven. De kerk zou een herinneringsmonument worden om de gesneuvelden te herdenken. Het hoogaltaar zou toewijd worden aan het H. Kruis. Een reden te meer, daar hier ongeveer op diezelfde plaats, in vroegere jaren een kerk gestaan heeft, toegewijd aan het H. Kruis.
Een zijaltaar zou toegewijd worden aan de H. Lodewijk, koning van Frankrijk, als herdenking aan de Franse gesneuvelden.
Een tweede zijaltaar zou bestemd zijn voor Saint-George, patroon van Engeland om natuurlijk de vele Engelse gesneuvelden te herdenken.
Dit was in een tijd dat het oorlogsleed nog bleef doorwerken en was dus eigenlijk een diplomatisch plan, een soort psychologische zet om financiële steun en administratieve medewerking te krijgen van hogerhand, zeker ook van Frankrijk en van Engeland.

Het eerste plan naar de prullenmand

Iedereen begrijpt dat centen en bijdragen niet als manna uit de hemel vallen, maar de Voorzienigheid zorgt voor een oplossing:
Op 13 september 1923 wordt van de heer Dansette een schadevergoeding opgekocht, nl. het kasteel van Beau Séjour op de weg naar Kemmel. Maar dat geeft toch maar gedeeltelijke voldoening, het volstaat niet om een groot plan te kunnen uitvoeren. Dus wordt in september 1924 een tweede schadevergoeding gekocht: Het klooster van de Franse Karmelitessen uit de Sint-Jacobsstraat dat in handen is van de heer Fernand Hiesenberg uit Brussel.
Ook nu weer blijven de Kapucijnen dus zeker niet bij de pakken neerzitten.

ZE BOUWEN

De architect Coomans van Ieper wordt uitgekozen als bouwmeester.
De heer van Eeghem uit Brugge is de aannemer.
Het werk zal in drie delen verlopen.

 a) Eerste en grootste werk:

Kerk en hospitum, dit zijn het huidige klooster, tot aan de gang die kerk en klooster verbindt. De aanbesteding hiervoor gebeurt op 19 februari 1924. Zo Er wordt zo snel gehandeld en gewerkt dat reeds op 21 september kerk en hospitum ingewijd kunnen worden.

b) Plechtigheid en inwijding op 19 september 1924:

Op die dag is de hele wijk versierd met talrijke opschriften, vaandels en praalbogen. Pater provinciaal is verontschuldigd, hij wordt vervangen door de vicaris-provinciaal, pater Franciscus, om de inwijding te doen.

De drie andere provinciale raadsleden: de paters Bienvenu, Samuel en Donatus zijn aanwezig. (Pater Donatus is Clemens Wynant van Melle, die later provinciaal en zelfs generaal van de Kapucijnen zal worden).
Zijn verder ook nog aanwezig: E. H. Deken, heer Burgemeester Colaert, E. H. Pastoor Denys, E. Vader Abt van West-Vleteren, heer Peeters, Juffrouw Damman, heer architect Coomans en heer Verveken. Natuurlijk zijn pater gardiaan en bijna alle medebroeders van Izegem van de partij.
Stipt om kwart voor drie, in de namiddag, wordt het H. Sacrament in sierlijke processie overgebracht vanuit het H. Hartziekenhuis. De vele uit de buitenwijk, die de processie volgen, zijn diep ontroerd omdat ze de Heer in hun midden mogen binnen brengen.
In de kerk volgt een plechtig lof met toespraak en zegening met het Allerheiligste. Na de geestelijke vreugde zullen de paters de bezoekers en geheel de wijk nog lang feest vieren.

c) Afwerking met tweede en derde gedeelte:

Reeds in 1925 gebeurt de nieuwe aanbesteding voor de verdere afbouw van het klooster zoals het er nu tot vandaag nog staat.
Het derde en laatste deel wordt eveneens algauw aanbesteed en is bedoeld voor de afwerking van de omheining, de voetpaden, de serre en de tuin.
Op 1 mei 1926 is alles reeds kant en klaar afgewerkt !!

Met het daarop volgend kapittel gaat pater Ildefons, hij is de grote voortrekker geweest, moe maar niet uitgeblust, even op de achtergrond en als overste wordt hij opgevolgd door pater Venantius van Roeselare. Nog een korte tijd is pater Ildefons econoom en zal de financiële zorgen van het klooster helpen dragen. De overste en enkele nieuwgekomen medebroeders zullen het geestelijke welzijn van het volk kanaliseren: biechtgelegenheid, liturgische vieringen, predikaties, ziekenzorg en toedienen van de sacramenten.

sacristie



k


Reftter Tuin Priesterkoor



Hoofdingang  Hoofdaltaar Kerkinterieur

MARIA MIDDELARES ALS PATRONES 

Ter gelegenheid van een kerkwijding wordt de kerk onder de bescherming geplaatst van een patroonheilige ofwel wordt de kerk speciaal toegewijd aan een gebeuren uit het leven van Christus.
Pater Venantius is bezig met alle papieren na te kijken en te ordenen. Hij komt tot de vaststelling dat in de drukte van bouwen, alles klaar maken voor de inwijding, allerhande documenten en paperassen in orde krijgen, … de kerk eigenlijk geen patroon of patrones gekregen heeft. Pater Venantius kan niet begrijpen dat zoiets door verschillende partijen over het hoofd werd gezien. Hij twijfelt wel niet aan de geldigheid van de kerkwijding, maar toch heeft hij scrupules over hoe men een patroonheilige kan aanduiden zonder alle ceremonieën te moeten herhalen. Hij schrijft naar pater generaal om een beroep te doen op de H. Congregatie.
Op 16 november komt het antwoord geen scrupules te hebben om zulke “pekelzonde” en wie een kerk kan inwijden, die kan ook een patroon aanduiden.
Maar nog vóór dit antwoord uit Rome aankomt heeft pater Franciscus, die de kerk gewijd had, reeds op 1 september de vergetelheid recht gezet.
Men kiest als patrones: “Maria Middelares”.
De keuze valt op O.L.V-Middelares omdat er een Mariabeeld in de maak is, een bestelling voor de kloosterkerk. De beeldhouwer is de heer A. De Beule uit Gent (Nieuwbrugkaai 22). De inspiratie voor het beeld vindt hij op het prentje van de paters Benedictijnen van Maredsous. Ogen en handen zijn ten hemel geheven om Maria’s gebed en medeoffers aan te duiden. Het beeld staat uiteraard nu nog altijd in de kerk op het zijaltaar van O.L.V.

Volgende tekst is met toelating overgenomen ujit de website van de Vlaamse Kappucijnen. Voor verdere uitleg over de kerk en Franciscushuyze surf naar www.kapucijjnen-vlaanderen.be


In de oostelijke muur in de kerk zitten vier glas-in-loodramen met afbeeldingen van franciscaanse heiligen: de heilige Bonaventura, de heilige Lodewijk, de heilige Clara en de heilige Elisabeth. De glasramen hebben felle kleuren zoals scharlakenrood en indigoblauw. Rond de figuren is er een omlijsting van groene bladen.
Helemaal bovenaan, ingebouwd in de koepel, heb je een rond glasraam die het Lam Gods afbeeldt.
De andere glas-in-loodramen zijn niet beschilderd, behalve een groen-blauwe omlijsting. Ze hebben een visnetmotief.
Boven de vier gebrandschilderde ramen achteraan, hangt een groot zwart kruis. Op een rand onder de vensters staan, links en rechts de beelden van Moeder Maria en de Apostel Johannes.



Het beeld van Maria Middelares is van de hand van
Aloïs De Beule uit Gent. Hij liet zich inspireren
door een icoon op een prentje van de Abdij van Maredsous.
Daardoor vind je er ook de kenmerken van een icoon in terug:
een zekere statigheid en ingetogenheid, een ernstige
en serene blik. Ze voelt mee met het menselijke leed,
maar heeft toch iets goddelijks over zich.
Men spreekt hier van een hiëratisch voorkomen. prent
Maria draagt ook de maforion: de lange witte sluier,
de traditionele hoofdbedekking van alle Maria-ikonen.
De vrouw is ook gekroond. Hiermee benadrukt de kunstenaar
Maria als Koningin van de engelen, van de Maagden
en van alle Heiligen.
Maria wordt hier afgebeeld als orante, omdat Maria
hier symbool staat voor de biddende kerkgemeenschap.
Haar handen houdt ze in de zogenaamde Orante-houding. 
Dit is een heel oud biddend gebaar.
Dezelfde biddende houding vinden we ook terug in de ‘Znamenge’.
Typisch voor De Beule is zijn soepele techniek, prent
wat ondermeer te merken is aan het meesterlijk
draperen van Maria’s gewaad.
Het beeld is gemaakt uit kalk en volledig beschilderd.
De Gentenaar gebruikte vooral blauw en goud
en werkte zeer gedetailleerd.
Onder het rechtergangetje (5) staat het beeld van de Heilige Antonius met kind.
Vooraan in de kerk, onder de zuilengalerij (2) staan links en rechts nog twee beelden.
Links staat het nieuwe beeldje van Pater Pio. Rechts staat het beeld van de heilige Jozef met kind.
Men voelt zich ook aangesproken door de kruisweg.
In de kerk vinden we vier biechtstoelen (8) uit hout. Ze zijn versierd met bas-reliëfs.
Wat zeker moet vermeld worden is de kunstvolle wijze waarop altaar, lezenaars,
evangeliestaander en decoratie achter en naast het altaar vervaardigd is geworden uit de preekstoel en biechtstoelen van de vorige Sint Niklaaskerk.

NIEUWE KAPUCIJNENGEMEENSCHAP TE IEPER 

Na nieuwe verkiezingen (kapittel 1925) telt de gemeenschap van Ieper 8 paters en 3 broeders. 

Pater Bavo = Hector Lamote van Staden, benoemd tot gardiaan.
Pater Urbanus = Joseph Callewaert van Izegem, vicaris.
Pater Constantinus = Gustaaf Lemahieu van Gullegem, voor derde orde.
Pater Odilo = Jozef Neyens van Opitter, bibliothecaris.
Pater Aegidius = Alfons De Caluwe van Brugge.
Pater Ildefons = Gustaaf Peeters van Roeselare, raadgever of discreet.
Pater Willibaldus = Arthur Werbrouck van Izegem (zie verder).
Pater Bernardius = Henri Vercoutere van Pittem.
Broeder Servatius = Florentien Straetsburgh van Alveringem.
Broeder Adelbertus = Victor Van der Linden van Geraardsbergen.
Broeder Angelicus = Désiré Ghys van Sint-Maria-Oudenhove.
Pater Ildefons komt, wegens ziekte, op de achtergrond van het kloosterleven.

In de loop van 1927 krijgt hij meer en meer last van een hartziekte en wordt nu aanbevolen het kalmer aan te doen.
Eind oktober komt een voorschrift van de dokter: negen maanden volledige rust in een kliniek. De volgende maand neemt hij zijn intrek bij de Ieperse Zwartzusters en reeds op 20 november mag hij naar zijn klooster terug. Hij krijgt de toelating om in een speciale privaatkapel de H. Mis op te dragen. In 1929 is hij weer heel wat beter en neemt wat vakantie bij zijn oude moeder in Roeselare. Toch blijft hij de trek naar zijn klooster behouden en komt dus geregeld terug naar Ieper om er enkele dagen te verblijven.
Op zijn verjaardag, 31 juli 1929, verlaat hij voor de laatste maal zijn klooster, nee niet meer naar zijn oude moeder, maar naar zijn Vader in de hemel.
 

HET LEVEN GAAT VERDER

 De Kapucijnen zijn nu in Ieper volledig ingeburgerd. Weinigen spreken nog van de “Posthoornstraat”, maar nu over de Capucienenstraat, omwille van de Franciscaanse invloed ter plaatse.
Het valt dus zeker niet te verwonderen dat op 6 april 1926 het schepencollege van Ieper de straatnaam officieel laat veranderen.
In de annalen valt spijtig niet veel te lezen over het gewone leven, het werk, de predikatie, het gebedsleven, apostolaat, enz, van de kloosterlingen. Het dagelijkse leven voor eigen heiliging en dienstbaarheid voor het volk gaat verder door.
Daar de Kapucijnen onder elkaar broeders blijven in leven en dood, liggen ze ook graag samen begraven op het kerkhof. In vroegere jaren werden zij begraven in eigen pandhof, binnen de kloostermuren, of in een speciale crypte daartoe bestemd.
Zo vinden we een artikel in Het Wekelijks Nieuws van 19 september 1973:

“Onderaardse begraafplaats ontdekt onder de Sint-Franciscuskerk te Menen, tijdens werken aan het hoogaltaar. Deze crypte bevat 24 in de muur aangebrachte graven waarin zich de stoffelijke resten bevonden van de paters Capucijnen, die te Menen verbleven tussen 1603 en 1797. Rechtover de graven, in de muur, vond men de namen van sommige paters zijnde: F. Denijs, A. Ombrouck, P. Lietard …”
In latere jaren, toen het verboden werd op eigen grond te begraven, hebben de Kapucijnen getracht om een gezamenlijke begraafplaats te verkrijgen op het stedelijke kerkhof. In het pandhof werd dan voor ieder overleden medebroeder een speciaal kruis aangebracht met daarop een eenvoudig gedenkschrift. Dit is heden nog te zien in vele Kapucijnenkloosters.
Het Ieperse Kapucijnenklooster, reeds meer modern gebouwd, heeft geen speciale begraafplaats en ook niet een pandhof. Daarom wordt op 11 november 1926, 15 vierkante meter grond gekocht op het stadskerkhof, waar de medebroeders samen kunnen begraven worden.

 PATER WILLIBALDLAAN

 Daar wij nu nog de bestaande straatnaam kennen wordt wel eens de vraag gesteld: “Wie is pater Williblad?”
Met het kapittel van 1931 is er een patersverschuiving. Pater Willibald of Arthur Werbrouck, uit Izegem, komt terug naar Ieper. Hij is de bloedeigen broer van de alombekende pater Tillo, groot missiepredikant en stichter van de Schippersschool in Brugge.
Pater Willibald is een man met een gouden hart die “kleurenblind” is: Voor hem bestaat geen rood of blauw, geen zwart of wit, geen politiek, geen onderscheid, maar enkel liefde voor de mens.
Om alle mensen van de wijk samen te brengen en meer broedergeest te bewerken, gaat pater Willibald op bedeltocht bij groot en klein. Hij wil voor hen een gemeen-schapszaal bouwen. Doordat heel wat grond eigendom is van de Belgische spoorwegmaatschappij (zie ook hoger), wonen hier veel arbeiders verbonden aan de NMBS, de zogenaamde stationmannen. De meesten onder hen zijn - volgens wat men in die tijd noemt – van ‘rode signatuur’. Zij verlangen een plaats waar ze samen kunnen komen om te ontspannen, te praten, sociaal leven op te bouwen. Zozeer is pater Willibald met die mensen bekommerd dat hij bijna de anderen vergeet. De Heer zei ook dat Hij kwam voor de zieken, dat de gezonden geen dokter nodig hebben. Om aan de bouw ervan te kunnen beginnen ontving Pater Willibald van Pater Donatus van Welle, provinciaal, de som van 5.000 fr.

          
                                               De "oude" Familiekring met daarachter de "basketzaal".

Op 29 november 1931 liggen reeds de fundamenten van de nieuwe zaal die gebouwd wordt naast de kloostertuin in de Crescendostraat. Pater Willibald houdt bij deze gelegenheid een toespraak en verklaart duidelijk dat de zaal moet dienen voor de vergaderingen van de ‘stationsmannen’, de derde ordelingen en alle mensen van de ‘kruisstraatwijk’, kortom we willen van onze wijk één groot gezin maken, één grote familie. De naam voor de zaal wordt vlug gevonden: ZAAL FAMILIEKRING. (Deze oorspronkele Familiekring bestaat nog altijd en is nu grotendeels ingenomen door de chiro).
Op 8 mei 1932 in de namiddag komt E.H. Vermaut, deken van Ieper, om de zaal in te wijden. Daarna volgt een groot feest met zang, muziek, een ‘kluchtspel’ onder de titel “De twee Michiels”. Twee bekende kluchtzangers uit Torhout zijn erbij om de stemming op te drijven.
Na de feestroes gaat het normale leven en werken weer door maar met een nieuwe dynamiek. Vrijwel onmiddellijk wordt een KAJ-groep opgericht en er komt nieuw en vooral jong leven bij in het sociale leven van de wijk.De nieuwe toneelgroep CRESCENDO wordt iets onmisbaars op de Kruisstraat en brengt op geregelde tijdstippen een pracht van voorstelling in de nieuwe ontmoetingszaal Familiekring.



"En waar de sterre bleef stielle staan" door toneelkring Crescendo

Netje Debouvere

OORLOG 

Weer breekt een oorlog uit. Ieper leeft dit keer wel onder de Duitse bezetting, maar zal nu gelukkig de dood niet ingaan. De kloosterannalen hebben niets speciaals te vermelden. De vele zorgen en de voorzichtigheid voor sommige ongewenste nieuwsgierigen hebben misschien de paters weerhouden om iets neer te pennen.
Op 6 september 1944 komt een Poolse kolonne Ieper bevrijden. De Duitsers vluchten, kanonnen dreunen, obussen fluiten en plots glasgerinkel en doffe slagen. Ergens in het klooster worden ramen en deuren ingeslagen. Pater Alois, de gardiaan, snelt in de richting van de inslag. Een groepje Duitsers, achtervolgd door de witte brigade, is in het portierskamertje gevlucht en begint de binnendeur in te beuken. Pater Alois opent de deur en leidt een tiental soldaten naar de hof. Via de boerenpoort stuurt hij ze weer naar buiten de Crescendostraat op. Kort daarop stormen drie mannen van de witte brigade het klooster binnen en na wat inlichtingen gaan ze als speurhonden dezelfde weg, de Duitsers achterna. Wat verder in de straat worden de Duitsers ingerekend. Tegen de avond is gans de stad bevrijd.

 NA DE OORLOG

 Eens de oorlog, bevrijding en vreugderoes voorbij, gaat het leven verder. Nu moet er gezorgd worden dat de geestelijke stemming bij de mensen niet uitdooft door hatelijke herinneringen en wraakgevoelens.
Dit wordt door de geestelijken van de stad overwogen want op 5 augustus beginnen de kroonfeesten van O.L.Vrouw van Tuine, speciaal om O.L.V. te danken dat Ieper mocht gespaard blijven van oorlogsellende. Ieper geeft het beeld een kroon van goud bezet met edelstenen. De bisschop van Brugge, Mgr. Lamiroy, komt naar Ieper om de kroon op te zetten en de heer deken spreekt de toewijding uit van de stad Ieper aan O.L.V.
Een koor van 400 zangers zingt de Ieper cantate gevolgd door een prachtige processie. Alle Kapucijnen vergezellen het H. Sacrament en tal van bewoners uit de wijk ‘De Kruisstraat’ zijn aanwezig. Zij verenigen zich graag met de stad alhoewel ze vaak door de stad achteruit gesteld voelen.
In dezelfde naoorlogse geest om zoveel mogelijk haat en weerwraak te bedaren, wordt over geheel de stad een missie georganiseerd die zal gepredikt worden van 9 tot 18 september. Onder de leiding van de heer Geererbaert zullen negen paters Redemptoristen de missie preken. De heer pastoor van de Sint-Niklaasparochie vraagt aan de Kapucijnen om zelf de missie te preken in eigen kloosterkerk voor de aanpalende wijk. Daarmee gaat pater gardiaan niet akkoord en vraagt dat ook hier Redemptoristen zouden preken om niet te indruk te wekken dat de mensen van ‘bachten de statie’ achter gestoken worden, bovendien is het goed eens een andere klok te horen.
Aldus geschiedt en de heer Bradt van Gent, een klein maar flink paterke, wordt aangeduid om hier te komen preken. Is zijn gestalte dus eerder klein, zijn ‘donderpreek’ was des te heviger. Geheel de Kruisstraatwijk komt naar hem luisteren. Een vracht-wachten met stoelen uit de Sint-Niklaaskerk wordt bijgehaald en nog zijn er stoelen te weinig, velen moeten blijven staan. De Kapucijnen springen bij voor het biechthoren, om de H. Communie uit te reiken en vooral voor het organiseren van de H. Sacraments-processie, de plechtigheid ter ere van O.L.Vrouw en de boeteprocessie. Er is een grote geest van eenheid, iedereen werkt mee.
Later, na de missie, hoort men vanuit de stad vertellen dat één pater meer dan voldoende is voor de Kruisstraat, het is toch maar een buitenwijk met een “paterskerk”. De enige en grote vergissing is dat men de grootheid en de éénheid van deze Ieperse buitenwijk blijft onderschatten.

ZILVEREN JUBILEUM:  25 JAAR KAPUCIJNEN TE IEPER 1923 - 1948

Die titel staat in vette letters in het dagblad “Het Volk”. Het blad geeft een overzicht van de oude en de nieuwe geschiedenis of van het uiterlijke gebeuren. Het blad doet ook een poging om de geestelijke werking weer te geven. We citeren uit de krant 20 april 1948:
Het is de grootste verdienste geweest van de paters Kapucijnen, de atmosfeer van de stationswijk te hebben zuiver gehouden. Aan hen is het grotendeels te danken dat de bevolking zo gezond, zo gaaf en zo kerkelijk aanhankelijk is. Er hangt iets van de blijde geest van Franciscus’ zonen over dat stadsgedeelte. Ieder bewoner van de Kruisstraat, Handelsstraat, Tuinwijk en Sterhoek zal er stellig prijs op stellen aanwezig te zijn in de jubelmis die in de Kapucijnenkerk wordt opgedragen op zondag 2 mei om 10 uur. Deze H. Mis wordt langs luidsprekers uitgezonden. Mochten de paters nog lang werken voor het volk en te midden van het volk God ter ere en dit volk ten bate.”
Zo is het gezien door de bril van een dagbladschrijver. In de ogen van de kloosterlingen, is het leven eerst en vooral gericht op God, eigen vorming en heiliging. Dit straalt noodzakelijk uit naar buiten.


Deze foto werd gemaakt n.a.v. 25-jarig bestaan van het Kapucijnenklooster mei 1948

 

STADSMISSIE VAN 1951

 Zoals in 1945 zal ook gepredikt worden door de paters Redemptoristen… maar het hart geeft zijn eigen argumenten:
Omdat de Kruisstraat nog altijd, nu meer dan vroeger, te veel aanzien wordt als een soort aanhangsel van de stad en zonder eigenwaarde, omdat de navertelling van de vorige missie nog leeft en de Kruisstraat haar eigen gelaat wil bewaren, wordt er besloten dat twee Kapucijnen: de paters Herman en Ezechiël hier de missie zullen preken.
Achter de schermen heeft die houding nogal wrijving verwekt. Heel wat correspondentie hierover werd heen en weer gestuurd en waren soms meer dan gepeperd dan gesuikerd. De goed gelukte stadsmissie heeft er niet onder geleden, maar een en ander had tot gevolg dat de Kruisstraat meer en meer de drang tot zelfstandigheid voelde opkomen. Over de anomalie van Kruisstraat en Sint-Niklaasparochie wordt reeds veel gesproken maar niet op schrift gezet. Praatjes zijn echter geen onderwerp van een geschiedenis, ze kunnen enkel het verloop van de geschiedenis beïnvloeden.

 ENKELE MEMENTO'S  UIT DE JAREN '50

 IVO TOMMELEYN
Eerste Kapucijn van de Kruisstraat. Op 15 augustus 1955 draagt hij zijn plechtige eremis op in de Kapucijnenkerk. In oktober vertrekt hij naar Canada. De eerste Kapucijnen vertokken er naartoe voor het werk onder de Vlamingen en andere inwijkelingen plus het missiewerk onder de Canadese inwoners, de Indianen.
Geleidelijk groeien de Kapucijnen daar uit tot een zelfstandige Kapucijnenprovincie.

 DIEVEN IN HUIS

op 8 mei 1956 komt pater Bernadien, rolstoelpatiënt, zijn kamer binnen. De kasdeur staat open… en hij zucht: “Mijn geld is weg.” Waarlijk, uit zijn geldkoffer, een sigarenkistje nota bene, is er de resterende 2000 frank verdwenen. Pater Bernadien is de enige die de combinatie van het slot kent. De politie wordt verwittigd. Onmiddellijk is de geheime opsporingsdienst present. Na de verklaring van de pater worden hem een 300-tal foto’s voorgelegd met de vraag: “Kunt u de bedelaar eruit verkennen?” Het spontane antwoord: u mag mij nog 1000 foto’s tonen, zo hij ertussen zit, hem uithalen dat doe ik niet. Pater Herman, die ook aanwezig is, zucht heel diep en zegt in zijn typische stijl: “Och mijn ereloon voor een missie, daarmee heb ik voor niets gepreekt in Bissegem.”

 HERDENKINGSFEEST VOOR PATER ILDEFONS  15 september 1957

 Eucharistieviering

De H. Mis wordt om 10 uur opgedragen door de bisschop Mgr. De Smedt, geassisteerd door Z.E.P. Mathias, E.P. Marie-Bernard Versailles van Ieper. Mgr. H. Catry is pontificaal assistent. P. Hubertus is de feestredenaar.
Vooraan zitten geknield: de provinciaal, Z.E.P. Felicissinus, de pastoor-deken van Ieper, E.H. Verhaeghe, E.H. Pastoor Cools, heer en mevrouw A. Dehem, burgemeester, en verder de families Peeters, Pater Hildebert, broer van Ildefons en ook nog veel brancardiers en oud-strijders. De kerk zit bomvol.
Op het podium prijkt een door Roigni geschilderd portret van P. Ildefons. Z.E.P. Provinciaal opent de zitting. Hij huldigt Pater Ildefons maar ook de familie Peeters wordt erin betrokken, vooral moeder Peeters en P. Hildebert, de broer van P. Ildefons.
Leraar Gerard Vermeersch, alom bekend als kunstdeclamator en toneelspeler, zet in met passende kunstgedichten. Dr. De Pillecijn, letterkundige en medewerker van P. Ildefons, stelt de geestelijke hoofdschotel samen. De woorden van de brancardier, Hubert Stijnen, vatten de boodschap van de redevoeringen en declamaties samen:
“Pater Ildefons was ijverig, edelmoedig en vroom, een trouwe en zekere vriend, een Vlaming uit één stuk. Zeer velen vonden bij hem raad, steun en opbeuring.”
Volksvertegenwoordigers Lefevere en Bode zijn aanwezig, evenals senator Stubbe en het voltallige schepencollege.


Gedenkplaat

Deze bronzen plaat, ontworpen door Roigni Crongen, toont de beeltenis van Pater Ildefons en wordt in de hall van het klooster ingewerkt.



 

IJZERTORENCANTATE

 
Op maandag 24 maart 1958 staan de Kapucijnen van Ieper in de actualiteit. In de stedelijke schouwburg wordt, onder leiding van de heer Guido van Overbeke, een muzikale kunstavond gegeven. De IJzertorencantate gaat in première.
Deze cantate werd gecomponeerd door Pater Simeon, Henri Seynaeve, op tekst van Pater Renatus (Antoon Vandewalle, broer van pater Herman) en georkestreerd door de heer Gerard Timperman.
De koorafdeling van de Ieperse kunstkring ‘Richten’ verleent haar medewerking.
De première mag zich verheugen over een ruime belangstelling van het Ieperse kunstminnend publiek. Onder de toehoorders bevinden zich o.m. E.H. Mgr. Catry, Heer burgemeester Dehem, en schepen Rouseré.
We citeren uit het Wekelijks Nieuws 27 maart 1958

Zowel E.P. Renaat als E.P. Simeon zijn romantiekers van de oude stempel, zoals onze Vlaamse cultuur er meer heeft gekend. De cantate sluit dus, zowel wat de tekst als de partituur betreft, volledig aan bij de school van Peter Benoit (…) In de schildering van geweldige of sombere taferelen waagt E.P. Simeon al een paar schreden op het pad van de expressionisten.”
De kritiek is echter eensgezind om de inrichtende paters Kapucijnen te prijzen voor deze actieve bijdrage tot het Ieperse kunstleven.
In dagblad Het Volk lezen we:

Ze hebben hiermee het bewijs geleverd dat hun klooster niet alleen een haard is van gebed, maar ook een haard van veelzijdige bedrijvigheid, het dienen van de kunst incluis.”

 CRESCEONDO IN HET ZILVER

 
18 mei 1958: De toneelkring “CRESCENDO” viert het 25-jarig bestaan. De kring werd opgericht door pater Willibald in 1933 met de bedoeling het ontspanningsleven op de Kruisstraat te bevorderen. Onder de oorlog lag alles stil. Daarna volgde het ene gevulde seizoen na het andere en werden in die 25 jaar maar liefst 67 stukken opgevoerd.
“Crescendo” verleent ook graag zijn medewerking aan de jaarlijkse Meikermis, de Sint-Maartensfeesten en de Breughelfeesten. Bovendien werkt de toneelkring mee aan de
jaarlijkse kattenstoet. Daartoe wordt een speciale groep opgericht onder de naam de “Tybaertgilde” omdat zij in de stoet instaan voor de groep “Tybaert de kater”.
Het wordt een waardig jubileum. Z.E. Mgr. Catry draagt een dankmis op en pater Herman spreekt de bomvolle kerk toe.



  Daarna volgt in zaal Familiekring een academische zitting. Vooraan zitten: Albert Vermeersch, de voorzitter met naast hem Gerard Vermeersch, de regisseur. Verder nog Roger Lauwers, de secretaris, de burgemeester A. Dehem en pater Herman. Ook de oudproost, pater Filimon, is aanwezig.
Tijdens de spreekbeurten komen zij allemaal om de beurt aan het woord. In die toespraken krijgen we vaak lovende woorden te horen over pater Willibald die de grondlegger was van het sociale leven op de wijk.
Na de zitting wordt de jubilerende kring op het stadhuis ontvangen waar felicitaties uitgesproken worden door de burgemeester in aanwezigheid van schepenen Robyn en Rouseré. Ook raadslid Joseph Pype, inwoner van de ‘Capucienenwijk’ was aanwezig.
De heer Albert Vermeersch krijgt de stadsmedaille voor zijn 25-jarig toneelleven in dienst van stad en volk. Tot slot keert het ganse gezelschap terug naar de Familiekring voor een jubelbanket.